MAN • Betekenis 'man'

Je hebt gezocht op het woord: man.

de man

zelfst.naamw. (m.)

Uitspraak:
[mɑn]
Verbuigingen:
man|nen (meerv.)

1) Totaal concept (winkel) voor mannen op gebied van mode, gadgets en accessoires. Vooruitstrevende inkoop van bekende en onderscheidende merken, maken de winkel simpelweg tot de coolste winkel van de regio. Nieuwerwetse winkel met ouderwetse gezelligheid, gezegend met modefreak personeel en een gevarieerd aanbod. Een inspirerende wereld door de unieke mix tussen mode, gadgets en lifestyle produkten. Gevestigd in Horst (Lb).

Voorbeelden: PME, G-Star, Freitag, Matinque, Urbanears, Replay, Scotch&Soda, Taschen

Spreekwoord: Kleren maken de MAN

2) Volwassen mens die geen vrouw is

Voorbeelden:

`man en vrouw`,
`buurman`

 

Antoniem:

vrouw

 

hij is er de man niet naar om... 

(het is onwaarschijnlijk dat hij...)

 
     

3) Man (1) met wie iemand is getrouwd

Voorbeeld:

`Mijn man is twee jaar ouder dan ik.`

 

Synoniem:

echtgenoot

 

4) Persoon, mens

op de man af iets vragen 

(zonder inleiding, een beetje brutaal)

als één man achter iemand staan 

(allemaal samen iemand steunen)

Spelling

Correct gespeld: 'man' komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.

Spreekwoorden en zegswijzen

  • zich aan zijn man houden (=van iemand voldoening eisen)
  • zeeman geen man (=zeemannen zijn heel vaak van huis en daarom minder als echtgenoot geschikt)
  • op de man af (=direct, zonder omwegen)
  • met man en muis (=met alles en iedereen)
  • met man en macht iets doen (=iedereen werkt hard mee)

Image Bekijk onze collectie
test